Button volg ons op Facebook
Button volg ons op twitter
07.02.12 11:25 | Leeftijd: 102 days
| Thema: België, België, Immigratie, Wonen, Armoede/Rijkdom

“Mijn adres? Het parkje”

Fazal Ghani is een Afghaan van 23 jaar. Twee maanden geleden kwam hij aan in België. De reis duurde drie maanden. Hij trok door de bergen, reisde met een vrachtwagen… Vandaag leeft hij op straat, in het park tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken.

Riet Dhont

Fazal, een 23-jarige Afghaan, woont met drie andere asielzoekers in een zelfgebouwd hokje. In het parkje recht tegenover de gebouwen van de Dienst Vreemdelingenzaken. (Foto Solidair, Martine Raeymaekers)

Het eerste wat Fazal deed bij zijn aankomst in België, was asiel aanvragen. Hij had een eerste gesprek met de Dienst Vreemdelingenzaken op de Antwerpsesteenweg in Brussel. Na dit gesprek trok hij naar Fedasil (het Federaal Agentschap voor het onthaal van Asielzoekers) om, in afwachting van het antwoord van Vreemdelingenzaken, een onderkomen in een centrum aan te vragen. Maar er was geen plaats meer bij Fedasil. “Men zei me dat ik een advocaat moest zoeken. Ik heb er een gevonden in het Gentse.”

Na een maand kreeg Fazal een negatief antwoord op zijn asielaanvraag. Ondertussen blijft hij in Brussel, maar zonder vaste verblijfplaats. Zijn advocaat heeft hem aangeraden om te zoeken naar een klein plaatsje in het park tegenover Vreemdelingenzaken.

Met vier in een krotje, met zeven in een tent

Fazal fabriceerde samen met vier andere Afghaanse asielzoekers een klein krotje, met daarin twee stapelbedden. Het hokje is afgesloten met hout en plastiek. “Dit is mijn huisje waarin we met z’n vieren slapen. Anderen hebben zo’n iglotentje gevonden en matrassen. Daar slapen ze met z’n zevenen.”

Hij had nog geen tweede gesprek met Vreemdelingenzaken. Hij heeft geen vast adres. Zijn adres is het park. Naar welk adres zouden ze dan zijn oproepingsbrief moeten sturen?

Eten doen Fazal en zijn lotgenoten in een gaarkeuken, waar ngo’s soep, brood, water en een tas koffie schenken aan de asielzoekers die terugkomen van Vreemdelingenzaken of van Fedasil.

De kleine zaal zit barstensvol als we de jonge Afghanen ontmoeten. Waar zullen ze deze nacht slapen? In het kleine krotje? Of in de tent? “Wij kunnen om beurt gaan slapen in het nieuwe centrum dat de ngo’s hebben ingericht, aan het Weststation, in Molenbeek. Maar het is telkens maar voor een nacht. De dag daarop laten de verantwoordelijken enkel de meest kwetsbare mensen toe om de nacht in het centrum door te brengen. Je moet je om 17 uur aanbieden en wachten tot je gekozen wordt. Je eet er soep, je slaapt er en ’s morgens om 9 uur moet je het centrum opnieuw verlaten. Overdag is het centrum gesloten. Het Samu-centrum, dat onder de bevoegdheid van het OCMW valt, is enkel toegankelijk voor daklozen en niet voor asielzoekers. Daar kunnen we dus niet heen.” Zijn vriend voegt eraan toe dat ze hun tent of hun krotje niet graag verlaten, omdat andere asielzoekers hun plaats zouden innemen.

Tussen twee vuren

Fazals moeder en zuster zijn nog in Afghanistan. Zijn broer werd door de taliban gedood. “In Afghanistan worden we langs twee kanten bedreigd. Mijn broer werd door de taliban gedood omdat hij vertalingen deed voor een Schotse soldaat. Hij werkte dus zogezegd voor de vijand. Maar als je met de taliban optrekt, word je bedreigd door de Amerikaanse soldaten en de NAVO-troepen. Ik heb dat uitgelegd tijdens het eerste gesprek op Vreemdelingenzaken, maar ik kreeg een negatief antwoord.”

Zijn 34-jarige vriend, Abdelhadi Fahiri, vertelt hetzelfde verhaal: “Ik werkte in een bedrijf dat producten voor de Amerikanen maakt. Wij werden door de taliban aangevallen. Maar tezelfdertijd werden we door de Amerikanen gebombardeerd… Overdag leven we hier op straat, ook in het weekend. Er is dan geen soepbedeling, er valt dus niets te eten. Wij hebben geen geld. Wij hebben niets. De kleren die we hebben, kregen we van de kerk hiernaast.”

Bij hun krotje vinden we nog een paar vrienden die zich wat proberen op te warmen in de zon. Abil, met wie we gisteren spraken, komt in paniek aangelopen. Hij vergezelde een vriend naar het ziekenhuis. Zij hebben daar gewacht van 9 uur tot 14 uur, maar ze hebben geen dokter gezien. Deze (soms zwaar) zieke mensen hoesten en hebben keelpijn. Zij zeggen ons dat de kou het hevigst is rond vijf uur ’s morgens…